|
Wijzigen van ons proteoom: de mogelijkhedenEr zijn vier fundamenteel verschillende manieren om een eiwit (of een ribonucleïnezuur — in wat volgt zal ik het om beknopt te zijn enkel over proteinen hebben) in de cellen en/of het extracellulair milieu van een individu in te brengen. De eenvoudigste van de vier is transplantatie: het inbrengen van cellen of organen afkomstig van iemand waarin het eiwit reeds tot expressie komt. Dit is vanzelfsprekend beperkt tot eiwitten die in een aantal mensen tot uitdrukking komen (een relevante beperking, zoals bij voorbeeld hier wordt toegelicht), en heeft bovendien doorgaans een immuunreactie als bijwerking, die moet worden onderdukt door levenslange medicatie, wat leidt tot een verzwakking van het weerstandsvermogen en misschien ook tot kanker. De tweede mogelijkheid is de ex vivo genetische wijziging van cellen, om ze daarna in de ontvanger in te brengen. Dit heeft vele voordelen ten opzichte van transplantatie — zo kunnen bij voorbeeld genen die niet-menselijke eiwitten uitdrukken toegevoegd worden en kunnen in theorie autologe cellen (d.w.z. cellen die van de patient zelf afkomstig zijn) gebruikt worden, waardoor een immuunreactie vermeden wordt. Deze aanpak (in het algemeen "celtherapie" genoemd, waaronder ook de stamceltherapie valt) kent echter nog steeds beprekingen: de cellen die door de bewerkte cellen verwijderd moeten worden moeten geëlimineerd worden. Soms zijn deze cellen al niet meer aanwezig en dat is juist het probleem dat moest worden opgelost, maar soms zijn ze aanwezig, maar hebben ze een gebrekkige werking. In theorie kunnen ze tegelijkertijd met het introduceren van de nieuwe cellen worden geëlimineerd, maar in de praktijk is het op technisch vlak uiterst moeilijk om dit vlot genoeg te laten verlopen om gedurende de gehele procedure weefselfunctie te behouden. We moeten dus besluiten dat we voor veel SENS-interventies op de resterende twee methoden terug zullen moeten vallen — somatische eiwittherapie en somatische gentherapie.
Bewerkte DNA op specifieke plaatsen in het genoom inbrengenVerschillende van de strategieën voor het herstellen van de zeven SENS-doelen zullen zo goed als zeker vereisen dat we in welbepaalde weefsels de genomische DNA van lichaamscellen kunnen wijzigen — somatische gentherapie. Dit is veel moeilijker dan cellen te onttrekken, de DNA ervan wijzigen in het laboratorium en ze daarna terug te plaatsen, want bij het wijzigen van DNA van cellen worden zeer gemakkelijk fouten geïntroduceerd. Wannner je de wijzigingen in een laboratorium uitvoert kan je controleren of de juiste wijziging (en niets anders) werd uitgevoerd en enkel die cellen terugplaatsen die de test doorstaan. Het hoge risico op fouten in alle thans bestaande somatische gentherapie-methoden is de voornaamste reden dat deze therapie zich nog in het beginstadium bevindt: het is nog gevaarlijk. Een van de zaken die voor SENS hoogstnodig zijn is daarom dat vooruitgang wordt geboekt in het betrouwbaar maken van onze technieken om doelgerichte genoom-wijzigingen in situ uit te voeren, zonder dat we daarbij tegelijkertijd ongewenste zaken doen. Gelukkig worden op dit moment verschillende methoden intens bestudeerd. Voor de meeste toepassingen volstaat het om een nieuw gen of nieuwe genen in ons chromosoom in te brengen. Daarbij maakt het zelfs niet veel uit waar we het juist introduceren — tenzij het de reeds aanwezige genen zou ontregelen. Helaas kan dat "tenzij" niet verwaarloosd worden, want wanneer we de DNA in al (of de meeste van) onze cellen willen introduceren dan zal het in een aanzienlijk aantal gevallen genen treffen en in enkele van die gevallen zal het bijna zeker genen treffen die de celdeling regelen — wat natuurlijk het gevaar inhoudt dat het kanker zou kunnen uitlokken. De eerste grote doorbraak in het oplossen van dit problem was de ontdekking dat een bepaald virus, het adeno-geassocieerd virus (AAV), zich bij voorkeur tussenvoegt op een welbepaalde locatie op menselijk chromosoom 19. Dit is positief, maar niet goed genoeg, want om het virus als drager van nuttige genen in te zetten die we in onze cellen willen krijgen, moeten we de materiaal verwijderen die het zijn locatie-specificiteit geeft. Er worden echter verschillende methoden onderzocht voor hybride virussen, die ons het beste beider werelden zouden geven. AAV voegt zichzelf echter niet altijd op deze bepaalde locatie tussen, zelfs wanneer de locatie-specificiteit nog intact is. Dit is voornamelijk omdat het een lineair, enkelstrengig DNA-virus is en lineaire, enkelstrengige DNA heeft de neiging dubbelstrengige DNA "binnen te vallen" en er soms op willekeurige wijze ermee te recombineren. Er is dan ook veel opwinding ontstaan over een nieuw soort virus — eigenlijk een bacterieel virus, gewoonlijk een faag genoemd — die cirkelvormig en dubbelstrengig is en daarom een zeer geringe neiging vertoont zich willekeurig in ander DNA tussen te voegen. Het kan zich wel in DNA tussenvoegen, maar enkel wanneer het een welbepaald enzym uitdrukt, die een integrase genoemd wordt. Nog beter is dat het zichzelf slechts op een beperkt aantal specicieke locaties in het genoom tussenvoegt — en van deze locaties is het niet duidelijk dat ze even veilig zijn als de AAV-locatie, omdat ze veelal in de "gaten"" in het midden van genen voorkomen, intronen genoemd. Er is echter wel enkele vooruitgang geboekt in het zodanig doen "evolueren" van deze enzymen in het laboratorium dat ze andere locaties verkiezen en is er dus goede hoop dat uit deze fagen snel veilige gentherapievectoren zullen ontstaan. Zo goed als alles wat we met gentherapie willen vewezenlijken, of het nu gaat over het behandelen van verdoudering of een andere aandoening, kan waarschijnlijk vrij goed gerealiseerd worden door het introduceren van nieuwe genen in cellen op een veilige locatie. Soms zullen we een gen willen verhinderen haar product uit te drukken omdat dit product toxisch is (zoals het geval is bij de mutatie die de ziekte van Huntingdon veroorzaakt,) maar zelfs dan kunnen we waarschijnlijk het gewenste effect bereiken door simpelweg een gen toe te voegen, omdat we dan het wonderbaarlijke fenomeen van RNA-interferentie kunnen gebruiken om de transcriptie van de gen te vernietigen nog voor het vertaald is. Er is echter een bepaald geval waarin we wellicht echt somatische gentherapie, gericht op een welbepaalde locatie in het genoom, zullen nodig hebben, namelijk bij de anti-kankertherapie die mijn voorkeur wegdraagt: WILT. Het inzetten van RNAi tegen telomerase zal niet volstaan — daar kan even gemakkelijk aan "ontsnapt" worden als aan farmaceutische telomerase-inhibitoren. Wat we voor WILT moeten doen is om de telomerase-genen te verwijderen (of tenminste grondig verstoren). Er bestaan reeds verschillende gerichte gen-verstoringsmethoden (doorgaans "gene targeting" genoemd,) die afgeregeld kunnen worden om eender waar in het genoom aan te vallen, maar ze zijn allen erg onnauwkeurig en verstoren ook in hoge mate andere locaties. Op dit moment lijkt de meest waarschijnlijke weg dat de faag-integrase-methode gebruikt zal kunnen worden door een beter inzicht in de werking van haar locatie-specificiteit en het op die manier er wijzigingen voor te kunnen ontwerpen in plaats van de gebrekkige techniek van in vitro-evolutie te moeten gebruiken — maar dit zal nog veel en moeizaam werk vereisen.
Eiwitten in cellen krijgen om gentherapie te vermijdenVeel onderdelen van SENS vereisen dat het genoom in vele verschillende soorten cellen gewijzigd wordt. In het geval van cellen die doorlopend vernieuwd worden uit stamcellen is dit relatief eenvoudig, omdat we cellen kunnen onttrekken uit het individu, in het laboratorium met die cellen doen wat we willen doen, controleren of wat we hebben gedaan exact dat was wat we wilden doen en de cellen terug in het lichaam brengen. Ook al moet ik benadrukken dat dit niet gemakkelijk is — zelfs bijzonder moeilijk in het geval van stamcellen zonder deze hun "stamheid" te doen verliezen —, maar het zal wellicht een stuk eenvoudiger zijn dan somatische gentherapie. Weefsels die geen continue vernieuwing kennen kunnen echter niet op deze wijze behandeld worden, waardoor het op het eerste zicht lijkt alsof somatische gentherapie hier de enige optie zou zijn. Er bestaat echter een andere mogelijkheid. De voornaamste reden om het genoom van cellen te wijzigen is dat deze cellen andere eiwitten zouden aanmaken dan voorheen. Voor de meeste SENS-doelstellingen (en in het algemeen ook voor de meeste biomedische toepassingen,) is wat we willen bereiken dat de cel eiwitten heeft die het voorheen niet had, niet dat ze er bepaalde niet meer zou hebben die ze vroeger wel had. In beginsel kan dit bereikt worden door de eiwitten zelf in te brengen in plaats van de genen die deze eiwitten uitdrukken. Het voor de hand liggende problem met een dergelijke aanpak is omvang. De meeste eiwitten hebben een korte levensduur, waardoor de cellen ze steeds opnieuw moeten aanmaken om er voldoende voorraad van te hebben. Het zou dus niet een praktisch zijn om voldoende eiwitten in te brengen. Toen Roscoe Brady voor het eerst dit idee wou uittesten werd hij om die reden ronduit afgewezen. Het blijkt nu echter dat dit in zeer veel gevallen geen onoverkomelijk probleem hoeft te zijn. Brady was (en is) geïnteresseerd in enzymen die instaan voor afbraak in de lysosomen; deze lysosomen zijn erfelijk afwezig in personen die lijden aan lysosomale opslag-ziekten. Brady slaagde er uiteindelijk in methoden te ontwikkelen om voldoende enzym aan te maken en het naar de juiste cellen toe te brengen om vele dergelijke mensen een normaal leven te geven waar ze anders zeker tijdens de kinderjaren overleden zouden zijn. Een van de belangrijkste SENS-strengen, "lysosomale versterking", zou wel eens op deze manier kunnen werken voor een groot aantal verschillende weefselsoorten. Een andere weg uit het problem van de eiwit-hoeveelheid is om de genen die de gewenste eiwitten uitdrukken in één bepaald weefsel in te brengen en het zo te regelen dat ze geëxporteerd worden uit de cellen waarin ze aangemaakt worden en geïmporteerd in de cellen waar ze nodig zijn. Dit is zeen zinvolle aanpak omdat genen veel gemakkelijker op een veilige manier geïntroduceerd kunnen worden in stamcellen in vitro dan langs de somatische weg, zoals hierboven beschreven. Het is relatief eenvoudig om genen zodanig te wijzigen dat het gecodeerde eiwit wordt afgescheiden en er bestaat ook technieken om eiwitten te richten in de circulatie naar beaalde organen. Een uiterst belangrijk voorbeeld zijn de hersenen, die van de circulatie beschermd worden door een speciaal systeem waarin de cellen van de binnenkant van de bloedvaten veel hechter met elkaar verbonden zijnd dan in de rest van het lichaam — dit wordt de "bloed-hersen-barrière" genoemd. Sommige eiwitten moeten echter vanuit het bloed naar de hersenen getransporteerd worden en we begrijpen inmiddels redelijk goed hoe dit gebeurt en hoe we dit systeem kunnen gebruiken om de gewenste eiwitten door de barrière te krijgen. Tenslotte moet ik iets zeggen over geslachtscel-gentherapie. Dit betekent dat het genoom van een gameet (zaad- of eicel) of een zygoot (een enkele cel ontstaan door bevruchting of door somatische cel-transfer, ook klonen genoemd) gewijzigd wordt, waardoor individuen geboren worden met een ontworpen genetische wijziging. Sommigen vinden dat dit voor altijd veel te gevaarlijk zal blijven om een bruikbare techniek te zijn, maar anderen hebben overtuigend geargumenteerd dat deze gevaren geëlimineerd kunnen worden. Hoedanook heeft deze aanpak slechts een beperkte aantrekkelijkheid door de onderliggende tijdschaal (veroudering begint pas echt een belasting te worden nadat we een leeftijd van zo'n 50 jaar hebben bereikt.) Het belangrijke punt hier is dat, ook al is somatische gentherapie technisch veel moeilijker te verwezenlijken dan geslachtscel-gentherapie, in de wetenschap 50 jaar zo'n lange tijd is dat het bijna zeker is dat we veel meer voor iemand zullen kunnen doen middels somatische gentherapie in het jaar N+50 dan we in jaar N konden doen door geslachtscel-gentherapie. Ik ben daarom van mening dat ook al zal geslachtscel-gentherapie in de toekomst een belangrijke biomedische procedure worden, ze niet toegepast zal worden voor het bestrijden van veroudering. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||